Home           contact

Het spirituele pad binnen de Soefi-traditie.

Voordracht door Michaël Derkse op 13 juni 2015, Symposion Rozenkruisers.

Dank u wel voor de uitnodiging om hier met u te mogen zijn, ook aan de Stichting Rozekruis. Het is als een geschenk. Na zeven bijzondere jaren in mijn leven, is dit het eerste moment dat ik weer met zoveel mensen samen nu hier mag staan, en onderweg mag zijn. Die zeven jaar hebben mij vooral geleerd dat wat een mens ook overkomt, het elke keer opnieuw onze oprechte kwetsbare aanwezigheid vraagt. Elk moment is een moment, elke dag is een dag, elke ontmoeting is een ontmoeting. Wees een minnaar met diegene met wie je bent, want dat zijn de enigen die er op dat moment zijn. In mijn leven heb ik de laatste zeven jaar heel wat verlies gehad. Ik werd al jaren gehandicapt door een aanvankelijk onduidelijke kwaal, die er met regelmaat voor zorgde dat ik plots overvallen werd door verschijnselen van uitval. Pas toen ik werkelijk niet meer kon lopen en nauwelijks kon ademen is ontdekt dat er sprake was van een ernstig hartfalen. Vlak voor dit duidelijk werd, werd mijn familie geconfronteerd met de dood van een jongen, die met ons, met mijn kinderen was opgegroeid. Voor mijn kinderen als een broer, voor mij als een peetzoon. Hij, Koen, viel uit een boom en was binnen een paar minuten dood. Een klein op zich onbeduidend voorval, dat dit keer zo dramatisch afliep. Het kan zomaar gebeuren, met elk van ons en om ons heen. Koen en zijn in hun verlies oprechte en moedige ouders, zijn mij nog altijd na.
Na een ingrijpende hartoperatie, waarvoor ik eerst afscheid genomen had van mijn geliefden, van mijn kinderen, volgden drie jaar van revalidatie. Weer behoorlijk hersteld en terugkerend in mijn werkende leven, volgden een paar gelukkige soort van normale maanden met mijn geliefde levensgezel Birgitte, voordat zij last kreeg van veel pijn en we een gezamenlijke pelgrimstocht voor 18 mensen moesten opgeven om terug te keren naar Nederland. Na maanden van onderzoek bleek zij kanker in haar lichaam te hebben. De tijd die volgde, strijd en alle inzet om te genezen, steeds zieker worden, samen zijn in verdriet en met ongelooflijk veel nabijheid, tot aan haar dood, heeft diep in mijn leven ingegrepen. Elke dag is kostbaar, elk mens en elke ontmoeting is kostbaar, als een realiteit, niet als een mooie gedachte.

Ik heb momenten gehad dat alles zo zinloos leek, dat ik moe was van verder willen gaan in deze wereld. Ik ben ongelooflijk dankbaar dat ook Birgitte en ik zo diep hebben mogen gaan en ondanks alles dieper in onze liefde zijn gebracht in onszelf. Ik ben nu ongelooflijk dankbaar dat, al had ik dit losgelaten als mogelijkheid, de Geliefde opnieuw het geschenk gaf van opnieuw een zielsverbondenheid met een prachtige vrouw op mijn pad, als Rosa Vendel, die vandaag ook hier is. Het is voor ons ook de eerste keer dat we samen een voordracht kunnen geven; dus het is alles de eerste keer in ons nieuwe leven samen en jullie allen zijn dan ook de eerste mensen die we in dit verband ontmoeten. Door alles wat ik heb meegemaakt weet ik dat vanzelfsprekendheid een illusie is. Wezenlijk is, dat in elke ontmoeting mag ontstaan wat er werkelijk is. Ook het onverwachte, misschien wel juist het onverwachte. En dat gun ik mijzelf en ons samen in deze ontmoeting ook. Dit is voor mij niet alleen een voordracht waarin ik jullie een stukje mee mag nemen op de reis van de derwisj. Dit geef ik mijn leerlingen vaak mee: Waar je ook bent, of het in een winkel is, in een bus, metro, waar ook, realiseer je dat op elk moment jouw moment in deze wereld voorbij kan zijn. Niet als een depressieve realisatie maar als de werkelijkheid dat je ook elk moment wilt léven. En als je dan buiten komt uit die winkel en je hebt net je boodschappen gedaan en ik vraag je: ‘Wat was de kleur van de ogen van diegene die achter de kassa zat?’ en je weet het niet, dan heb je op dat moment niet gezien bij wie je te gast was. Een gast is die we in ons bestaan, in ons leven mogen tegenkomen. Elk moment en elk mens. En als dat het moment is dat je weer verdwijnt van deze planeet – dat jij dan die laatste mens echt gezien hebt, voorbij je taak en rol in de wereld, wel, dat kostbare moment van zien en je gezien weten, dat neem je mee in je ziel, op jouw reis verder. Dat gun ik ons allemaal, in dit moment. Heb je al even naast je gekeken of achter je naar de ogen van je buurman of buurvrouw, wie zij zijn?

Los daarvan gun ik ons overigens allemaal een heel lang leven hier, dat is onverlet. Mij is gevraagd om in te gaan op het spirituele pad van de derwisj. En dat wil ik heel dicht bij ons houden. Niet zo zeer wil ik ingaan op wat er allemaal over geschreven is, maar ik wil jullie meenemen naar een van mijn eerste ervaringen in Turkije, niet ver van de grens van Syrië. Daar werd ik meegenomen naar een tariqat, ik was te gast bij de mystieke school van de Mevlevli-derwisjen. Dat zijn derwisjen die de weg van Jalal-ad-Din Rumi volgen, de manier volgen waarop hij voorging.

Dus ga even met me mee. Ik lees jullie voor uit mijn dagboek. Ik heb dit genoemd ‘Gestrand tussen de Soefi's’. Het is een tijdje terug hoor, een paar eeuwen, zoals ik dit beleef en toch is het nu, heel dichtbij, met jullie samen onderweg.
“Het is maart 1991. Het is onverwacht behoorlijk koud geworden, een sneeuwstorm bemoeilijkt het uitzicht. Samen met mijn leraar en enige leerlingen ben ik op weg van Istanboel naar Bursa en Cjel gestrand nu in het berglandschap van Turkije. Her en der zien wij vastgelopen auto's. Ons busje komt niet tegen de steile bergweg op en glibbert langzaam achteruit. Het is een hachelijke onderneming, mijn hart bonst, de bestuurder en de gids, een van de Soefi-tariqat van de Naqsbandi onderbreekt zijn opgewekte zingen.” Dat ik overigens verschrikkelijk vond op dat moment, herinner ik mij nu. “De spanning in het busje was onvoorstelbaar; we kwamen geloof ik uit vijf verschillende landen en die man was maar opgewekt aan het zingen terwijl we naar achter glibberden. Maar op dat moment onderbreekt hij zijn opgewekte zingen voor een moment en vraagt ons uit te stappen om op de bumper te gaan staan. Mijn Amerikaanse vriend, die een enorm grote man was, dus dat zou wel helpen in gewicht, en ik gaan op de bumper staan. Maar wij delen zijn opgewektheid absoluut niet. Desondanks gaan we gewillig op de bumper staan. Want achteruitglijden, verder richting afgrond leek ons ook niet zo'n optie. En tot onze opluchting en verwondering helpt het werkelijk. Het busje krijgt meer greep op de weg en langzaam glibberen wij in plaats van achteruit, omhoog de berg op.

Het is net zoals dat in je leven kan gebeuren. Soms is het alsof je een beetje naar achteren glibbert, tot je gaat staan en je gewicht inzet. Mijn hart klopt in mijn keel, mijn bril is geheel besneeuwd. Ik ben namelijk helemaal niet zo'n held en wat het reizen betreft ook niet zo'n avonturier en ik zou toch ook nog wel graag even blijven leven. Toch heerst er een rust in ons gezelschap die geen ruimte geeft aan paniek en nodeloze gedachten, het maakt mij stil Lā ʾilāha ʾillā-llāh... er is geen God dan God, herhaalt de chauffeur…el hamdi dilila… ‘Lof zij de Ene... een herhaling van gezongen toewijding jegens Allah, de allerheiligste eigenschappen die de soefis Zikr noemen, ofwel herinnering, ons vermogen om ons levend te herinneren dat we zijn wie we zijn, verlangend te zijn. Het raakt mij diep om te ervaren hoe onze gids samen met onze tolk te midden van dit hachelijke moment vol vertrouwen blijft. Er is niets aan hen te merken, geen spoor van paniek, ze zingen en zingen...
Het irriteert mij in toenemende mate. Er gaat een huivering door mij heen, wanneer ik mij realiseer dat dit vertrouwen van hen niet gekoppeld is aan de goede afloop ­– in de betekenis dat wij heelhuids uit de bergen zullen komen. Maar aan de afloop, om het even hoe deze is. Er is geen God dan God. In hen ervaar ik overgave aan wat er ook gebeuren gaat en tegelijkertijd de grote inzet ons veilig naar het volgende dorp te brengen. Een eigenaardige combinatie van overgave en inzet. Hun gezicht volkomen ontspannen doen zij zingend hun uiterste best. Ze geven aanwijzingen wat wij kunnen doen en het lukt. Heelhuids, koud en helemaal op komen we in een klein dorpje aan, waar we in een overvol, overvol hotel, dankzij de inspanning van onze chauffeur en de tolk toch nog een kamer kunnen krijgen. We kregen, geloof ik, met z'n achten twee bedden. Dat gaf weer een heel andere toenadering. Ik ben geneigd na een gebed, uit dank voor de veilige aankomst, meteen in één van die bedden te ploffen. Maar zo gaat het niet. Mijn leraar, de chauffeur en de gids volgen een volstrekt ander spoor dan waartoe mijn medeleerlingen en ik geneigd zijn. Even bijkomen krijgt een heel andere invulling. In de overvolle hotellobby begroeten ze uitgebreid alle andere gasten, ze slepen ons mee, er worden gebeden gesproken uit dankbaarheid dat het ons allemaal goed gaat en op natuurlijke wijze vormt zich een kring voor Sohbet. ‘Sohbet’ is een spirituele dialoog, een studie van vraag en antwoord, een vorm van uitwisseling als in de traditie van Socrates en Plato. Er wordt zikr gezongen en later op de avond zou er zelfs Sema zijn, de dans van de derwisjen, waar wij aan mee zouden doen.

Aanvankelijk voel ik veel weerstand. Ik zou nu even alleen willen zijn en ervaringen van vandaag aan mij voorbij willen laten gaan. Ik zoek een uitweg, links of rechts, de lobby is vol, zeer vol. Mijn leraar kijkt me aan. Ik wil even niets, ik wil even veilig zijn. Maar tussen de uitgang en de plek waar ik zat, zaten zoveel mensen dat ik eroverheen had moeten klimmen. En mijn leraar glimlacht naar mij alsof hij mijn kleine innerlijke debat heeft gevolgd en de uitslag waardeert. Ik blijf zitten. Opnieuw ervaar ik nu de diepe ontroering. En ik voel mij aangeraakt door een aanwezigheid die mij stil maakt. Ik herken het zonder het woorden te kunnen geven. Ik voel me stil en onhandig, alles gaat hier anders dan ik gewend ben. Geen woord meer, van niemand, over de zware dag; het is zoals het is. Fi ma fihi... De werkelijkheid zoals deze nu is, wordt eenvoudigweg aanvaard en voor lief genomen.
Voor lief genomen... wat een passende uitdrukking, want om mij heen neem ik een realiteit waar die dieper gaat dan louter aanvaarding van de gebeurtenis. Het betekent niets anders dan de liefde herkennen in dat wat gegeven wordt. Het raakt mij diep. Er klinkt geen enkel oordeel, geen enkele klacht.
Wat degene die de weg van de Soefi's gaat ook voelt, verdriet dan wel vreugde, maakt deel uit van die waardering. Er zijn tranen, er wordt gelachen, er is bevrijding maar geen enkele klacht. Er wordt niet terugbeschouwd en teruggegaan naar wat er gebeurd is. En zo is er nu alle ruimte voor het ontvangen, van deze nieuwe situatie zoals die komt, en de wijze waarop men daar dan mee omgaat. Het valt mij ook hier op - en ik heb dit bij de teksten van Mevlana Rumi zo vaak gezien - hoe ongelooflijk en praktisch en aards deze mystiek is.

Wel, want in dit moment ontmoeten mensen elkaar, ontstaat een gesprek, en zonder enig overleg ontwikkelt zich de Sohbet als vanzelf. Ik denk aan wat mijn leraar ons vaak voorhoudt: ‘houd van degene met wie je bent, er zijn immers geen andere mensen, op dat ene moment ….’
En ineens, opnieuw, steekt in mij een stevige golf van wantrouwen de kop op. Het gaat me allemaal veel te gemakkelijk, het leven nemen zoals het komt, hmm, ik moet denken aan de slaafsheid waarmee wij mensen ons kunnen neerleggen bij de werkelijkheid zoals deze komt…. Het is niet anders, dat moet je maar accepteren. Het maakt mij rebels, die vorm van acceptatie bij gebrek aan zelfinzicht, of vanuit het idee dat ons leven voorbestemd is. Ja, dat maakt mij rebels. En juist dan vraagt mijn leraar me, terwijl ik stijf sta van de spanning, om uit het mystieke werk van de Masnavi te lezen. U weet wellicht, dat is het grootste werk van Jalad-ad-Din- Rumi. En moet ik er ook nog uitleg aan alle anderen over te geven. Ik schrik, ik mag wel zeggen, ik schrik me rot, want wat weet ik daarvan? In een gezelschap van soefi’s in die kleine kring op de vloer van de lobby tussen allemaal andere mensen. Nagenoeg allemaal Turkse mensen, Syrische mensen, Iraanse, Koerdische mensen, dus de taal die er gevoerd werd was Arabisch en dat spreek ik niet.

Nu vroeg mijn leraar om uit te leggen wat wij lazen. Ik kreeg een Masnavi in mijn handen gedrukt, het lijkt ook verder niemand te deren op dat moment. Op goed geluk, het zweet loopt inmiddels over mijn rug, open ik dit prachtige werk van de middeleeuwse Soefi-mysticus. Ik krijg kippenvel als ik de titel van het verhaal wat verschijnt voorlees. ‘Hoe de beesten nogmaals verklaarden dat vertrouwen in God voorrang heeft boven het geven van welke inspanning dan ook.’ Tranen lopen over mijn wangen, voor een deel natuurlijk door de spanning die in mij is, terwijl ik in die tekst, al in de titel mijn eigen dilemma teruglees, in de parabel van de vrije wil en de beesten.”
Rumi legt veel uit door middel van dierenkarakters. Het is soms een beetje als een Toon Tellegen dierenverhaal, al komen bij Rumi de dierenkarakters wel heel dichtbij die van ons mensen.

“Tussen de leeuw en de beesten speelt zich een felle discussie af. Die felle discussie loopt op en de leeuw brult steeds harder. Het duizelt mij, alsof ik terwijl ik lees, voorlees - ik las in het Engels en het werd vertaald in het Arabisch - in de kern van mijn eigen vraag: ‘Wat is overgave nu echt?’, terecht gekomen ben en het antwoord nu binnen zie stromen in de beker van mijn eigen vraag. De dieren namelijk zijn er van overtuigd dat vertrouwen in God betekent dat zij niets hoeven en kunnen doen, dat alles bestemd is zoals het nu eenmaal gaat. Ze geloven niet in vrije keuze, alles is zoals het is, en daaraan valt niets te veranderen. De leeuw vertrouwt ook in God, maar verklaart onze inspanning als superieur aan dit vertrouwen. ‘Kijk nu maar eens naar de profeten’, zegt hij, ‘en naar de ware gelovigen op de weg, hoe zeer zij zich inspannen!’
Maar de dieren gingen daarin niet met hem mee en hielden zich krampachtig vast aan hun idee van vertrouwen boven inspanning.

Mijn hart nu opent zich als vanzelf, en van binnenuit komen, in dit gezelschap van Soefi’s, de woorden uit mij die op zoek gaan naar de betekenis in de tekst. Mijn woorden, en ik hoor het zelf, maar begrijp het niet, overstijgen mijn gedachten, en vinden een geheel eigen weg. We luisteren aandachtig, spreken en luisteren vallen samen. Het hoort bij de Soefi-derwisjen van Rumi, dit diepgaande meedogende luisteren.

Ons gesprek draait om drie wezenlijke uitspraken van de Soefi:
1. Het is een Soefi niet toegestaan om te handelen. Het is een Soefi ook niet toegestaan om niet te handelen.
2. Doe één stap naar God, of in God, en God doet tien stappen naar jou, of in jou.
3. Maak God tot een realiteit, en de enige liefde maakt jou tot een realiteit.

De stilte is tastbaar. Terwijl er instemmende klanken gegeven worden, er wordt gezucht, gehuild, gelachen. De Soefi's, ons gezelschap luistert zo dat dit moment zwanger wordt van mogelijkheden, om tot de werkelijkheid, in de werkelijkheid van het verschijnsel door te dringen. Ze luisteren met heel hun hart, heel hun geest, heel hun ziel. Hun hoofd is schuin als om het oor te luister te leggen. Emotie en ratio verbinden zich als vanzelf als een span aangestuurd door de koetsier van de ziel.”

Hier maak ik even een uitstapje met u. In de mystiek van de Soefitraditie – maar dit komt natuurlijk in veel meer mystieke wegen terug, zoals bijvoorbeeld bij de Essenen – wordt soms gesproken van vier lichamen die wij rijk zijn. Eén daarvan is ons eeuwige lichaam, wat door de Essenen ‘de body of hope’, het lichaam van hoop, genoemd wordt. Alhoewel lichaam dan in dit verband gezien moet worden voorbij tijd en ruimte. Vrij van tijd en ruimte, dat is waarin wij werkelijk zijn die wij zijn.
Het tweede lichaam is ons gedachtelichaam, als een zintuig, als een instrument waar we over kunnen beschikken. We zijn het niet, ook al denken we dit wel vaak en is het meer dan eens zo, dat wij door onze gedachten beheerst worden. Want hoe vaak overvallen onze gedachten ons en bepalen zij, in kringetjes draaiend, ons in plaats van andersom. Ieder van ons kent dit en het is nogal vermoeiend en weinig productief. Toch, hoe dan ook, ons vermogen om te denken is in feite een prachtig instrument waarin we onze betekenis in het woord kunnen brengen. Eén van mijn leraren noemde woorden boten.
‘Woorden zijn als boten, die op zich zelf leeg zijn maar in potentie de betekenis kunnen overbrengen.’ De betekenis uit jouw ziel naar een ander mens, en ook andersom. Hoor ze zo intens aanwezig; hoor in de woorden van een ander niet louter de woorden maar zoek… luister welke betekenis die ander aan jou wil uitdrukken zodat het derde kan ontstaan.
Het derde dat ontstaat tussen twee of meer mensen die oprecht aanwezig zijn, open voor wat kan en wil ontstaan. De heilige tussenruimte, tussen jou en de ander. Dit is niet ik hier en jullie daar maar het is wij, met elkaar in het verlangen elkaar te ontmoeten en te luisteren naar wat gezegd wil worden. Ieder van ons kent de ervaring hoe het is als een ander echt naar je luistert. Hoe veel makkelijker wordt het om te spreken vanuit wat je werkelijk meent en zeggen wilt. En juist die tussenruimte wordt in de mystiek de heilige ruimte genoemd: ‘waar twee dan wel drie, in één naam verenigd zijn, daar ben ik, de Geliefde, in het midden’. Dit is het derde dat ontstaat als we hier niet tegenover elkaar zijn maar met elkaar. Ik zeg dit bij het gedachtelichaam, juist omdat onze gedachten deze ontmoeting zo vaak in de weg zitten. We zoeken dan binnen het kader te blijven van wat we al vonden, waaraan we kunnen refereren in wat ons bekend voorkomt, wat we al denken over iets of iemand, of wat ons concept is van wat waar is. Deze vooringenomenheid en binnen het vertrouwde willen blijven, kan ons denken dan zo in beslag nemen, dat het niet meevalt om vanuit een vrije scheppende ruimte tot gedachte te komen.
Het derde lichaam is het gevoelslichaam, als het ware het lichaam van het hart. Dat prachtige palet aan gevoelens, die kleuren waarin we ons kunnen uitdrukken. En ook weer hier, als de koetsier van onze ziel van de bok afstapt, worden net als onze gedachtes ook onze gevoelens aan zich zelf over gelaten. Eén van de essentiële schoonheden die ik waargenomen heb is, als we zeggen mijn voelen is in strijd met mijn denken, dat dit niet waar is. Het zijn de twee paarden voor je wagen, het gevoelspaard en het gedachtepaard. Als de koetsier afstapt dan worden de op zichzelf trouwe paarden aan zichzelf overgelaten. De koetsier die richting geeft, geleiding, liefde en aandacht is weg. Maar de weg gaat verder. Hoe verder? Wat dan als je bij de eerste de beste kruising komt en de koetsier geeft de richting niet meer aan? Dan wil het paard dat rechts is misschien wel naar rechts, en het paard links naar links. Er ontstaat paniek en de impulsen nemen het over. Er is niemand meer die leidt, en op zichzelf zijn ze dan ‘aan hun lot’ – zo noemen we dat – overgelaten. En lijkt het erop dat ze ruzie hebben met elkaar. Maar dat hebben ze niet, de koetsier is weg! Onze aanwezigheid is er niet. Ik zie ook hier, dat dit voor veel mensen een nieuw inzicht is. We zijn ook vertrouwd met de realiteit van dit conflict tussen voelen en denken, dat ook vaak naar het verschil tussen vrouwen en mannen wordt teruggebracht. Ik meen dat het bevrijdend kan zijn om te zien dat dit slechts ogenschijnlijk zo lijkt te zijn, en dat het om iets anders gaat.
En ons vierde lichaam is het lichaam dat ons hier draagt, in deze wereld. Het lichaam van denken, voelen, en van ons fysieke lichaam is tijd en ruimte gebonden. Het lichaam van onze ziel is de koetsier, die vrij is van tijd en ruimte. Zoals elke originele beleving in het moment, elk idee, eerst vrij is van tijd en ruimte. We zijn eeuwige wezens. Dus vergeet het niet als je straks naar huis gaat, dat jij degene bent die op de bok gaat zitten van je koets. En als er paniek ontstaat, wees dan niet boos op waar de paniek ontstaat, maar denk: ‘O wacht even, misschien ben ik de leiding wel kwijt. Waar ben ik ook al weer?

In alle drie die uitspraken die ik net noemde – en ik kom nu weer terug in dat hotelletje ergens midden in de bergen – is één klank hoorbaar. Die van het mysterie van de bewuste versmelting van de individuele mens, het kleine zelf, zo je wilt, met de enige Liefde, het grote zelf. ‘Zie in alles de Ene’, zegt Rumi, ‘herken die eenheid, en het zal jou tot realiteit maken, ofwel tot zelfkennis brengen. Wie zichzelf kent, kent de Geliefde.’
Rumi hield met name ook van de klank die in het zingen van de zikr Allah herinnerd kan worden: ‘Waarheen ik mijn gelaat ook wend, naar links of naar rechts, zie ik het gelaat van de ene Geliefde – Allah.’ En hij ziet dit heel direct en concreet: ‘Elke gebeurtenis wil ik ontvangen als een gast in mijn leven, om het even of het mij verdriet brengt of vreugde.’ In mijn volle waardigheid mag ik dat ook voelen en daarin kwetsbaar zijn. Ik realiseer me dat juist die gedachte om de enige Geliefde in werkelijk alles te zien – mij ook erg heeft geholpen in die laatste zeven jaar van verlies op verlies. Om niet over mijn verdriet, over de pijn, over de gewondheid heen te gaan maar ook dat toe te laten en te aanvaarden, om dan al worstelend en smekend de enige Geliefde nog steeds te blijven zien. En ik herinner me een uitspraak van Bayazgül, mijn hier in deze wereld overleden geliefde die ze in de diepte van wat is nog altijd is. Ze zei in het ziekenhuis: ‘Michaël, ik ben zo dankbaar dat we deze weg gaan, dat het me innerlijk zo geoefend heeft dat ik nu in alle pijn en het afscheid, en de druk die er is in het ziekenhuis, mijn hart open kan houden. Het sluit zich niet, ik kan blijven zien, ik kan blijven toelaten, kan blijven aanvaarden.’
“Hier zittend, in de lobby van dit hotel, dringt als door een mist de eenvoudige kracht van het luisteren tot mij door, een mysterie in zichzelf. In de diepte van het luisteren vallen het innerlijke en het uiterlijke luisteren samen. Als vanzelf. Mededogen stroomt vanuit het eindeloze binnen, de twee werelden, de eeuwige en de tijdelijke wereld vallen samen. Dit samenvallen door middel van luisteren is een wezenlijk deel.”
Ik vind ons Nederlandse woord ‘luisteren’ trouwens zo prachtig: luister geven aan iets, iets luister bij zetten. Dit is prachtig. Ya Sami, degene die Luistert, is een van de 99 Namen van de Geliefde. Het is je vermogen om te kunnen luisteren zonder oordeel, neutraal open luisteren. Rumi benadrukt dit waarnemend luisteren als essentieel voor diegene die verlangt te dienen. Wanneer de soefi’s spreken over ‘de weg’ dan gaat het om de weg van Terugkeer of Wederkeer. Ook hier is dit luisteren wat dient op de weg van Tassawuf, het pad van wederkeer tot de mens die we zijn. Het gaat hier niet alleen om een weg naar straks, een moment wat een keer komt, toch vooral ook om een weg die wij nu gaan, die zich nu voordoet. We wenden ons nu en nu om de as van ons bestaan, een voet in de eeuwige wereld, de andere voet in de wereld van tijdelijkheid.
Bij de derwisjen uit de orde van Mevlana Rumi wordt de vermaarde draaiende dans waarin de derwisjen in gebed om hun eigen as draaien dan ook Sema genoemd.

Ach, het is goed zo met elkaar samen te zijn in dit moment in deze prachtige ruimte. Ik zou zo nog uren door willen gaan en zo met elkaar tot een Sohbet komen, waarin we met elkaar luisteren, vragen stellen en studeren. Wie weet komt dit nog een keer. Dank overigens voor jullie luisteren nu, zo kunnen er woorden gesproken worden die door dit luisteren veroorzaakt worden en vragen beantwoord worden die uit onze aanwezigheid samen voortkomen.
Tsja, er komt nog wat in mij op. Ik wil iets zeggen over een bijzondere ontmoeting die ik graag met jullie wil delen. Eén van de gidsen die ik op mijn pad mocht ontmoeten is Sefik Can. Hij was de sektarik in de Mevlevi Orde, de geestelijk leider. De Soefi-orde van Rumi die eigenlijk na zijn dood is ontstaan, wordt geleid door de Celebi. De Celebi is de titel van het wereldse hoofd van de Mevlevi Orde. Deze positie wordt bekleed door de kleinzoon van Rumi in een directe lijn. Momenteel is dit Faruk Celebi. In de tijd van het Ottomaanse rijk was de Celebi de geestelijke leider naast de Sultan en degene die elke nieuwe sultan ook zegende. De sektarik, zoals mijn leraar Sefik Can ook was, staat naast de Celebi. Ik weet dat Sefik Can zich in zijn functie in hoge mate bezighield met de geestelijke open kwaliteit: ‘Wat is werkelijk waar, opdat we niet vastraken in een traditie, in een isme, in een dogma, in concepten. Dat het blijft gaan om de diepe innerlijke relatie van elk mens in de ene Geliefde, om het even hoe wij deze Geliefde noemen.’ Want het is des mensen dat we na een tijdje de vormen misschien heiliger gaan maken dan de betekenis, dat we de vastigheid en zekerheid zoeken, en vergeten dat het gaat om de heiligheid van de onzekerheid. In dit verband: Ibn’ al Arabi heeft een prachtig boek geschreven. The Wisdom of the Insecurity, de wijsheid van de onzekerheid.

Door alles heen van wat komt en gaat, innerlijk en uiterlijk, blijven luisteren. In een staat zijn van luisteren en van gewaarzijn. Dit is voor elk mens mogelijk. Het is geen vorm van denken of controleren, het is een open houding waarachter het diepe verlangen schuilt om te willen verstaan, elk moment opnieuw. Dit vraagt onze waardigheid, onze aanwezigheid.
In deze innerlijke houding was Sefik Can een meester en hij wist dit zonder woorden over te brengen. Deze grondhouding veroorzaakt een atmosfeer van ruimte en aandacht en mogelijkheden. Nog voor er iets gezegd wordt. Sefik Can is inmiddels overleden, van deze wereld vertrokken toen hij 95 was. Hij had slechts weinig leerlingen. Weinig mensen hielden het lang met hem uit omdat hij geen structuur gaf in de vorm van traditie, of van hoe het hoort of van hemzelf als persoon. Je kon niet ‘hem’ volgen. Hij was een prachtige gids juist omdat hij als persoon niet gevolgd wilde worden. Het ging hem erom dat je jezelf volgde in Allah, de Enige geliefde, en dus in de ware betekenis van de mens die je bent. Hij zei keer op keer niet vast te raken in de strikken van dogma, van het volgen van een ander, van het repeteren van iets, van een ideologie of van het intellect. Maak een traditie en het ritueel niet belangrijker dan waartoe het kan dienen. Sefik Can kreeg een hersenbloeding; twee jaar voordat hij vertrok. Maanden voor zijn dood had hij de plotse wens om nog een keer naar Zwitserland te gaan. Nog een keer samen te zijn in het huis van een geliefde leerling in Zwitserland met de paar mensen die hem nabij waren. Ik heb het voorrecht gehad dat ik één van hen mocht zijn, en hem nog een keer te mogen ontmoeten in Zwitserland. Het is me nog steeds een compleet raadsel waarom in Zwitserland, want hij kon niet meer lopen, hij kon nauwelijks meer overeind komen. Ik weet wel dat hij van Europa hield en dat het voor hem vrijer was, vrijer van de tendens om soefisme onder te brengen en te beperken in louter de traditionele islam. Hij is op een brancard naar het vliegveld gebracht zodat hij naar Zwitserland gevlogen kon worden. In Zurich in een appartement hebben we hem ontmoet. Het was een prachtige ontmoeting.

Ik wist dat hij al anderhalf jaar niet kon praten door zijn hersenbloeding. En toch heeft hij opgeschreven dat hij met mij wil praten. Misschien dat hij nog iets kon schrijven maar zelfs dat ging moeilijk. 's Avonds staan we samen in dat appartement en hij lag half onderuit in een stoel. Een prachtige man, één bron van Liefde. Hij trok mij naar zich toe. Aan de andere kant van de kamer was een kindje van drie jaar aan het spelen. Dat trok hij ook naar zich toe, en ineens begon hij te praten, heel zachtjes, er was ontroering in de ruimte. Hij sprak heel zacht in het Arabisch en dit werd voor mij vertaald naar het Engels.
En hij zei: “Mürsel, dit kind en jij... door wat jij hebt meegemaakt, door het verlies, zij zijn gelijk, de onbevangenheid en het wonder is gelijk, en in elk mens leeft dit kind, dit wonder, deze magie, die prachtige verwondering, ons vermogen om ons te kunnen verwonderen. Dat is het mooiste wat Rumi heeft weten over te brengen. Raak niet vast in dingen, maar kom in de kostbaarheid van de mens die je bent, in de ene Geliefde. Verwonder je, durf het onverwachte aan, stap het onbekende in. Laat het toe. Laat weer los en ontdek weer waar het over gaat. Weinigen en weinigen verstaan dit echt, in welke traditie we ook zijn.”

Op onze weg spreken we van fani-fi-sheikh, wat betekent: ‘Volg de gids, de leraar, luister naar hem’. Velen volgen dan de leraar als persoon, als mens, en vele leraren activeren dat ook, maar daar gaat het niet om. Het is een voorrecht om kennis te mogen doorgeven. Het is een voorrecht om kennis te mogen doorgeven omdat er vragen zijn, dat het kan ontstaan. Fani fi sheik is een stap, de volgende stap die we maken op de weg van de derwisj is fani-fi-rassoula. Volg de openbaring, volg de profeten in hun boodschap, maar ook: volg ze zo dat je ze in je ziel gaat verstaan. Dat je door de woorden heen verstaat waar ze boodschapper van zijn. De boodschapper gaat om de boodschap. Ook dat laat je achter, en dan kom je bij fana-fi-lillah, volg en luister naar de enige liefde in je, Allah.
En dan zei Sefik Can: ‘De grootste stap is fana-fi-haq, volg dit wat waar is, in elk moment, zoals de ene Geliefde dat in jou uitgeschonken heeft. Eerder sprak ik van de 99 Namen van de Ene Geliefde. De 100ste naam is de meest geheime naam, de allergeheimste naam die alleen door elk van ons zelf gekend kan worden. Het is jouw naam zoals door de Geliefde in elk van ons neergelegd. Het is daar waar ons zijn samenvalt met het Ene Zijn, onze wil samenvalt met de Ene Wil. Daar waar elk van ons de reflectie is van het Ene. Daar waar je waar bent in die je bent.

Nu heb ik nog drie pagina’s hier met wat ik nog geven wilde van wat Sefik in dit moment aan mij vertelde…… maar dit is wel de kern van wat ik wil delen van wat hij beleefbaar wilde maken in dit moment. Ongelooflijk, de ontroering dat hij daar dit kon uitspreken, mij bemoedigend: “Mürsel geef dit door, blijf dit doorgeven hoe dan ook en … ieder mens is kostbaar, ieder wezen is kostbaar, ieder draagt die unieke reflectie van de enig Geliefde… waarheen ik ook zie ….zie ik de Enige Liefde. Volg wat waar is, elk moment opnieuw.”
In elk mens, hoever ook weg gedwaald van zichzelf… als ik vanuit het Licht van Liefde kan kijken…. naar alles wat zich in schaduw voordoet, verrijk ik of draag ik mee bij, aan het omzetten van schaduw in de wereld. Als ik vanuit schaduw kijk naar schaduw versterk ik daarmee de schaduw. Elke vorm van veroordelingen, oordeel en weerzin of weerstand naar een ander is schaduw die de schaduw versterkt. Ons ware menselijke en goddelijke vermogen is zo krachtig als wij zelf in het licht van onze aanwezigheid in liefde zijn. Zo krachtig dat, zoals wel gezegd wordt dat de vleugels van de vlinder de loop van de planeten beïnvloeden, elk mens die aanwezig is de loop der planeten beïnvloed. Zo is elke gedachte, elk oprecht gevoel, vanuit onze ziel in wat we zien op tv, in de krant, met wat dan ook, vrij van oordeel, een genade die een stukje bijdragen kan aan wat je kunt noemen bevrijding, of verlossing als je wilt. Elk van ons draagt dit bevrijdende vermogen in zich. Zoals ons vermogen om vanuit onze liefdevolle aanwezigheid bevrijdend te zijn enorm is, zo is ook ons vermogen om het tegenovergestelde te veroorzaken enorm. Wanneer wij niet voorwaarts in het licht van de liefde bewegen met onze prachtige aanwezigheid creëren wij een vacuüm waar de lagere destructieve krachten de ruimte krijgen.
Die ene zin die ik telkens opnieuw in mijzelf beluister is ‘heb lief, heb lief, verdrink in de Oceaan van Liefde. Leef je leven voluit en volg zo getrouw mogelijk wat waar is in je.’ Is dit niet onze enige opgave? Rumi zegt: ‘Als ik duizend dingen heb gedaan, maar dit ene niet, is het alsof ik niets gedaan heb. Als ik dit ene gedaan heb, is het alsof ik duizend dingen gedaan heb.’

Ik heb met veel gewonde mensen onderweg mogen gaan. Mensen die soms ver weg waren van zichzelf, van deze wereld, ver van huis… Ik heb er veel verdriet in ontmoet, evengoed in mijzelf. Veel onmacht en zelfgeringschatting. Waar dit verhardt ook veel wrok en weerstand en weerzin meegemaakt. Toch door alles heen heb ik altijd opnieuw de mens mogen ontmoeten en ook grondig willen ontmoeten. En in elk mens altijd weer gezien hoezeer het verlangen er is om werkelijk gekend, gehoord, geliefd te worden. ‘Waarheen ik mijn gelaat ook wend, daar zie ik het gelaat van de Ene.’
De boodschap van een grote geest als Mevlana Rumi is de ware mystiek die het diep verborgene in elk van ons eert en raakt en ziet. Dat onzichtbare, dat onaanraakbare, dat onnoembare, toch zo krachtig aanwezige dat elk van ons is. De mystiek maakt de boog van het meest innerlijke onzichtbare naar het meest uiterlijke en zichtbare, tot de uiterste gestalte en tot elk onderwerp wat u maar kunt verzinnen, tot het meest vreemde en weerzinwekkende toe. In het grote werk van Mevlana Rumi, de Masnawi, waar ik de eerste twee delen inmiddels van mocht vertalen, komt dit zo onvoorstelbaar helder terug. Er is geen onderwerp dat niet genoemd wordt.
Ter illustratie lees ik een verhaal dat Sefik Can in zijn boek genoemd heeft. Een verhaal uit het leven van Rumi zelf. Het zou in variaties ieder van ons kunnen gebeuren. Deze gebeurtenis speelt zich of op een plein in Konya. Rumi had het, niet veel anders dan nu, ook in zijn tijd niet zo eenvoudig met zijn omgeving. Veel mensen, juist ook van het werelds en kerkelijk gezag, zagen in zijn boodschap een grote bedreiging van hun positie en macht. Of ze zagen in zijn oproep van liefde een bedreiging van hun opvattingen over religie en God. Op een dag sprak Rumi een groot aantal mensen toe en zei: ‘ik behoor tot 72 verschillende sektes en geloofsbelijdenissen. De mensen waren tamelijk verbaasd, sommigen geschokt. Er waren er onder hen, die zelfs ontsteld en boos waren over dergelijke godslastering en afvalligheid. Onder hen was ook Siraduyin, een invloedrijke man uit Konya. Een man die vervuld was van wrok en bovendien streng in de leer. Zijn wrok richtte zich vooral op Rumi. Maar nu Rumi een dergelijke domme uitspraak had gedaan, zag deze man zijn kans schoon. Hij zou de gelegenheid niet voorbij laten gaan en de mensen laten zien wie Rumi werkelijk was en bovenal natuurlijk wat voor een bijzondere man hij zelf was. Hij rook de zege, dit was zijn kans. Siraduyin riep een kring van vrienden bijeen en weldra was er een sfeer van ontsteltenis en verontwaardiging. Menigeen had namelijk niet alleen moeite met de onorthodoxe manier waarop Rumi de religie tot uitdrukking bracht, maar was ook jaloers omdat zoveel mensen hem op handen droegen. En vanuit heel de wereld naar hem toe kwamen. Om Rumi te kwetsen en hem in oog van het publiek in diskrediet te brengen verzocht Siraduyin een van zijn geloofsvrienden om Rumi publiekelijk ter verantwoording te roepen. Hij zou Rumi om te beginnen natuurlijk moeten vragen of hij wel of niet had gezegd dat hij tot 72 verschillende gezindtes en geloofbelijdenissen hoorde. Als Rumi dit toegaf - en hij kon moeilijk anders want talloze mensen hadden dat gehoord - raadde hij deze vriend van hem aan om Rumi onmiddellijk ter plekke te beschuldigen, te vervloeken, te verwensen, tegen hem te zweren en te zorgen dat hij publiekelijk af ging.
De man deed dit gaarne. Want hij zag het als een goede kans zijn positie in deze kring van vrienden, notabelen en zakenlui te versterken. Handenwrijvend toog hij naar de grote bijeenkomst waar Rumi vele mensen zou gaan toespreken. Zoals zijn vriend Siraduyin hem had opgedragen, vroeg de man Rumi op het moment dat hij zich verzekerd wist van de aanwezigheid en de aandacht van zoveel mogelijk mensen: ‘Er wordt beweerd dat u gezegd heeft: ‘Ik behoor tot 72 gezindtes en geloofbelijdenissen!’ Is dat waar?’ Hij hoorde de complimenten van zijn vrienden al. Hier zou Rumi nooit onderuit komen. De mensen luisterden ademloos. De spanning nam toe. Zij herinnerden zich inderdaad deze woorden van Rumi al tegoed en waren benieuwd wat hij zou gaan antwoorden. Rumi ontkende niet dat hij dat gezegd had en beaamde: ‘Ja, dat is wat ik gezegd heb.’ Onmiddellijk ontstak de man in heilige woede, riep Allah aan om Rumi te verwensen en te vervloeken en tegen hem te zweren, zich ondertussen ook tot het publiek wendend. Maar Rumi glimlachte slechts terwijl hij zei: ‘Ondanks alles wat jij zegt, hoor ik ook bij jou’.
Durf die vreemdeling te zijn en je te laten roepen door de Enige Vriend die in allen en alles is.

Rosa vertelt het ons zo: (vleugel en zang)

Treat me like a stranger
I am your only friend.
Treat me like a lover,
upon whom all life depends.

Speak your words with anger.
I want to see your fire burn.
Cry your tears with laughter.
Pain and pleasure are so near..

Treat me like a stranger
I am your only friend.
Treat me like a lover,
upon whom all life depends.

Michaël:

De wind van de dageraad heeft je geheimen te vertellen.
Val niet weer in slaap; je moet vragen wat je werkelijk wilt,
val niet weer in slaap.
Mensen gaan heen en weer over de drempel
waar de twee werelden elkaar raken.
De deur is rond en open, val niet weer in slaap.

Rosa: vleugel en zang

Wandering Soul

My momma taught me how to swim.
What to do as the waves came rollin' in.
'Hold your breath! And stretch out your arms', she said.
'Wait for the sea to come'

But one day, when my momma
had long past away,
and the water was up to my chin.
I was pulled from the shore,
but the sea wanted more
and she took me right in..

I was thirsty for air in my lungs.
Reached out into blackness,
but went deeper and sunk.

Suddenly, there was light,
and I was able to see
all this time,
the sea had been me...

I longed for her soul,
and she craved for mine.
No doubt I'd come back in time.
So now, when my tide is high,
I go to the shore
for a wandering soul.
To the shore for a wandering soul.


Michaël:
Dit is een oproep en gedicht van de vorige Celebi dat hij mij voorlas toen ik hem in 1990 voor het eerst ontmoette. Als slot van onze ontmoeting, waarvoor ik u werkelijk heel hartelijk dank.

‘Doe je ogen open en wordt wakker,
zie de liefde en de eenheid die jou geschapen heeft,
heb lief, heb lief, zolang als je het vol kunt houden
heb lief, heb lief, totdat je het geheim
van jouw geschapenheid te weten komt.
Duik, duik in de zee van liefde,
laat je gedachte weg gaan,
en wordt het eens met de liefde
Bemin, bemin, en daarna, daarna,
verdwijn, verdwijn, in de zee van eenheid,
verdwijn in de zee van schoonheid
van de mens die jij bent
en leef, leef, heb lief, heb lief,
zoals de klank van de rietfluit.’

Ik wens elk van u alle goeds en liefde op uw weg. Wellicht mooi, als u wilt, om dit ook degene naast u toe te wensen. Uw zegening aan een ander telt, en die van een ander aan u mag ontvangen worden en telt.
Dank u wel, dank u wel.